Leiderschap in de Omgevingswettransitie

De implementatie van Omgevingswet kent inmiddels een lange weg waarin we de nodige hobbels zijn tegengekomen: herhaaldelijk uitstel van de wet, het DSO dat nog geen gelopen race is en nu het feit dat we niet fysiek met elkaar kunnen samenwerken. Sanne van Deursen van Veranderen voor de Omgevingswet sprak met Martin van Bers, programmamanager Omgevingswet bij gemeente Tilburg en betrokken bij het G40 verband Omgevingswet. Ze vroeg Martin eerst maar eens hoe hij ondanks die hobbels de moed erin houdt.

“Het is soms best moeilijk om de moed erin te houden, maar dit kan ook een krachtig uitgangspunt zijn. Bij uitstel ga je eerst met elkaar na wat dat betekent en wat je kunt doen. Natuurlijk wordt er dan gezegd: we gaan door en we kunnen de extra tijd goed gebruiken. Maar je ziet ook vaak een verschil tussen wat mensen zeggen en wat ze doen. Daar moet je het dan over hebben.

Martin Bers
Martin van Bers, programmamanager gemeente Tilburg

De moed erin houden betekent ook de dingen oppakken waar je energie op hebt zitten of waar je energie van krijgt.

Maar soms dus ook ervoor kiezen om andere dingen nu even niet te doen. Het moment om die wél te doen, komt vanzelf. Je moet je tijd dus anders indelen. Bij uitstel stel je je koers bij, want je hebt meer tijd om er andere perspectieven bij te betrekken.

We hebben in Tilburg het uitstel gebruikt om de verbinding met andere grote opgaven te maken en om meer tijd te nemen een aantal inhoudelijke zaken veel uitgebreider op te pakken. Voor wat betreft de grote opgaven: we zijn bijvoorbeeld ook bezig met wijkgericht werken, datagericht werken en de energietransitie. Door de extra tijd die we hebben, kunnen we met de programma’s daarvoor optrekken. Die verbreding inspireert enorm en zorgt aan beide kanten voor een versterking van de opgave.”

De hobbels in de weg doen natuurlijk wat met je eigen motivatie, maar hoe houd je anderen bij de les?

“Je hebt verschillende mensen in je team, die allemaal anders reageren op tegenslagen. Thuiswerken is voor de een makkelijker dan voor de ander. Sommigen missen de interactie meer dan anderen. Daar heb je rekening mee te houden. Ik bekijk per situatie wat werkt. Door de coronamaatregelen zijn we als team bijvoorbeeld minder frequent gaan overleggen. Omdat we de hele dag achter Teams zitten, zijn de overleggen super efficiënt. Maar we missen ook veel, zoals de informele ontmoetingen, het onderlinge contact en het grapje tussendoor. Zodra het kan, komen we fysiek bij elkaar, want dat is belangrijk voor mensen. Helaas is dit sinds eind september al niet meer mogelijk.”

Als je naar de transitie kijkt, waar de implementatie van de Omgevingswet om vraagt, welke rol speelt leiderschap daarin? Want we horen weinig over dat thema.

“In het begin van de implementatie werden zo’n beetje alle activiteiten en projecten onder het programma gehangen. De programmamanager was niet alleen verantwoordelijk voor het organiseren van de visie en realiseren van voortgang, maar ook inhoudelijk erg betrokken. Het leiderschap is daarmee veelal in het programma komen te liggen.

Leiderschap hoort deels bij de programmamanager. Hij of zij moet inspireren, leiden en trekken. Maar bij een transitie gaat leiderschap ook om het goede voorbeeld te geven, om mensen aan te sporen het anders te gaan doen, ondanks dat het spannend is, en om belemmeringen weg te nemen. En dát ligt veel meer bij een lijnmanager, een directeur of een wethouder.

We zijn voorbij de fase dat de programmamanager de hele verandering leidt. De lijn heeft een belangrijke rol als het gaat om leiderschap.

Van iedereen wordt leiderschap gevraagd, waardoor het als thema enigszins uit beeld verdwijnt. De focus komt al gauw op de dagelijkse gang van zaken te liggen.

Het is nu echter wel het moment dat de mensen in de lijn opstaan om voorbereid te zijn op wat er vanaf 1 januari 2022 anders gaat. Leiderschap moet verschuiven van het programma naar de lijn. Het programma kan veel faciliteren en voorbereiden, maar de lijn moet er ook voor open staan.

Het afgelopen jaar is in Tilburg de samenwerking tussen het programma en de lijnorganisatie veel steviger geworden. Lijnmanagers leiden nu de activiteiten die de lijn moet oppakken.”

Hoe vul jij als trekker van een grote opgave leiderschap in?

“We hebben in het programma een duidelijke taakverdeling gemaakt. Ik zorg er als programmamanager voor dat de Omgevingswet is aangehaakt bij de andere grote ontwikkelingen en bewaak de overall voortgang. Hiervoor leg ik intern verbindingen bij het bewaken van de voortgang en ervoor te zorgen dat de juiste dingen worden gedaan. Extern leg ik verbindingen, met bijvoorbeeld de G40, de Hart van Brabant regio en VNG, om de voedingsbodem waaraan de Omgevingswet kan worden ‘opgehangen’ te verbreden.

Zo’n verbindende, dienende rol ligt dicht bij mijn manier van leiderschap. Ik ga niet keihard roepen dat iets op een bepaalde manier moet gebeuren.

Ik stuur op wat er gebeurt en geef de experts vooral de ruimte in hoe ze dat doen.

Als ik ergens inhoudelijk iets van vind, ga ik erover in gesprek. Afhankelijk van de fase waarin een programma zich bevindt, heb je wellicht een andere invulling van leiderschap nodig. Zelfreflectie op je eigen rol is dus essentieel. De opgave moet centraal staan, en de aanpak, het team en je eigen rol moeten daarbij passen.”

Waar doe je het allemaal voor?

“Ik zie mijn rol als een investering waarvoor ik veel terugkrijg. Ik bouw ook veel aan mijn relaties en netwerk in de regio Hart van Brabant. Ik ben ervan overtuigd dat dit voor Tilburg veel gaat opleveren. Andersom kan ik binnen mijn netwerk bijdragen door bijvoorbeeld mijn ervaring met het DSO uit te wisselen. Per netwerk heb je zo andere speerpunten. De samenwerking in regio Hart van Brabant levert inhoudelijk wat op voor Tilburg. Via de relaties met G40 of VNG leveren wij een bijdrage aan de landelijke ontwikkeling, iets wat ik persoonlijk leuk vind om te doen.

Die verrijking van mijn rol is mooi, maar ik heb geen ambities om als influencer aan de slag te gaan.

Ook mijn aanwezigheid op social media draait niet om mijn eigen positionering, maar om inspiratie en het delen van ervaring, inzicht en kennis. Vanuit mijn professie zijn er onderwerpen waarvan ik vind dat mijn volgers die moeten weten. Daarover deel ik dan graag mijn kennis en ideeën. Soms bericht ik ook op persoonlijke titel, bijvoorbeeld over de rolverdeling van mannen en vrouwen in werk en gezin.”

Hoe ga jij om met de verschillen tussen mensen die in de weerstand zitten en een andere groep die het licht ziet ten aanzien van de Omgevingswet?

“Programmateams zijn veel bezig met hun onderwerp. Daarnaast heb je koplopers, volgers, sceptici en mensen die tegen zijn. Ik probeer mezelf in het midden op te houden.

In het midden kan je de groep volgers voor je aansporen om tempo te maken. Achter je zit de grootste groep. Daar geef je de sceptici aandacht, zodat ze aangehaakt blijven.

Als je beide groepen meehebt, heb je 80 tot 90% van de mensen mee. Het is heel menselijk om veel tijd en energie te steken in de mensen die afhaken, maar soms moet je ook accepteren dat niet iedereen meekomt of mee wilt. Ik heb nu een team van mensen waarmee ik al heel lang samenwerk en die mij hierover ook feedback geven.”

Wat heeft jou het meest verbaasd in de reis tot nu toe?

“Dat op het moment dat je een grote opgave vertaalt en aan de organisatie verkoopt, veel mensen blijven denken dat er toch niets gaat veranderen. De eerste jaren is alleen maar geroepen dat alles beter zou worden met de Omgevingswet. Betere data, overall inzicht, meer ruimte, integraal werken, maar nu blijkt dat het ingewikkelder is. Op basis van verwachtingen moet je dus niet gaan overtuigen, maar onderzoeken en laten zien wat er daadwerkelijk verandert. Dat kost veel tijd. In het begin ga je volle bak aan de gang, je kent de missie en visie, en je wilt iedereen daarin meenemen. Dan zie je dat je echt met z’n allen door een proces moet: de noodzaak boven water halen, welke kennis is er nodig, middelen regelen, met frustraties omgaan enz. En dat proces verandert telkens weer.

Ik dacht eerst: nu is het helder, maar dat betekent niet dat het gemakkelijker gaat. Het is een cyclus waarin we het proces telkens weer opnieuw doorlopen.

Nu valt ook de angst voor het onbekende op. Het is nog niet duidelijk wat de Omgevingswet vraagt of waar de verandering precies in zit. Eigenlijk hebben we nog een jaar om te oefenen. Maar mensen hebben ook te maken met tijdsdruk van hun huidige workload en dus ook voor de angst voor het onbekende. Dan is het vaak gemakkelijker om het op de oude manier te doen.

Op papier weten we dus precies wat er moet gebeuren, maar in de praktijk staan we voor de grote uitdaging om het echt te gaan doen.

In Tilburg willen we ook een vernieuwende overheid zijn. Dit is een mooi startpunt. Maar wat er nu in de praktijk gebeurt, bepaalt wat voor soort overheid je wordt.”

Welke lessen heb je nog meer getrokken?

Als programmamanager dien je je af en toe af te vragen voor wie je eigenlijk zo hard werkt, want je bent natuurlijk nooit de enige die wakker ligt als het niet goed gaat. De betrokkenheid of eigenaarschap van het bestuur of college is essentieel. Je moet echt samen optrekken. De gemakkelijkste manier van communicatie is eenrichtingsverkeer. Maar daarin kun je ook doorslaan. Bijvoorbeeld door veel informatie uit te sturen en vragenuurtjes in te richten, terwijl daar niemand op afkomt.

Ga daarom eerst goed na wat de behoefte van anderen is en koppel die eventueel aan andere ontwikkelingen.

Vaak is een stap terug doen goed. Bijvoorbeeld door de Omgevingswet binnen het kader van de energietransitie te plaatsen. Van een warmtevisie of een gebiedsontwikkeling worden mensen enthousiast. Als je daaraan de Omgevingswet verbindt, wordt die ineens ook interessant en relevant.”